Twee opnames, één microfoon
Je neemt een zangpartij op, luistert terug en vindt hem dof en dik. Je opent een EQ, haalt laag weg, tilt het hoog op, en de stem klinkt nu dun en nog steeds dof. Dezelfde zanger, dezelfde microfoon, twintig centimeter verderop en een paar graden gedraaid, levert een opname op waar je nauwelijks iets aan hoeft te doen. Dat verschil is geen geluk. Het is het gevolg van drie dingen die je zelf in de hand hebt: welk type microfoon je gebruikt, welke richtingskarakteristiek hij heeft, en waar je hem neerzet.
Wie dat doorheeft, verandert zijn werkvolgorde. Niet opnemen en daarna repareren, maar luisteren, de microfoon verplaatsen en pas opnemen als de klank al klopt. Een EQ kan een balans bijsturen, maar hij kan geen kamer terugdraaien, geen kamfiltering ongedaan maken en geen off-axis kleuring herstellen.
Wat je in dit hoofdstuk leert
- Je herkent dynamische, condensator- en lintmicrofoons en weet wat hun bouw wel en niet over hun klank zegt.
- Je kiest bewust tussen omni, cardioïde, super- of hypercardioïde en figure-8, en je gebruikt hun nulpunten.
- Je legt het proximity effect correct uit en zet het in als klankregeling in plaats van het te ondergaan.
- Je stuurt de verhouding tussen direct geluid en kamer met afstand, hoek en positie.
- Je herkent kamfiltering door reflecties en lost het op met plaatsing in plaats van met EQ.
- Je werkt met een herhaalbare positietest die ook in een kleine, onbehandelde kamer werkt.
Voor wie dit hoofdstuk is
Voor iedereen die iets akoestisch opneemt: stem, gitaar, percussie, een versterker of een gesproken opname. Je hebt geen dure microfoon nodig en geen behandelde studio. Eén microfoon, een audio-interface en een koptelefoon zijn genoeg. Werk je met beperkte middelen in een kleine kamer, dan is dit juist jouw hoofdstuk: plaatsing is de goedkoopste en effectiefste verbetering die er bestaat. Begrippen over signaalketen, gain en gebalanceerde kabels die je mist, vind je terug in de gratis introlessen van de vorige modules.
Het kernidee in één alinea
Een microfoon is geen camera die neutraal registreert wat er gebeurt. Hij is een sensor met een eigen richtinggevoeligheid, en wat hij opneemt is de som van het directe geluid van de bron, de reflecties van de kamer en de manier waarop zijn patroon die twee tegen elkaar afweegt. Afstand, hoek en positie zijn daarom geen praktische details maar de drie sterkste klankregelaars die je hebt, en ze werken vóór de opname. In de volgende lessen bouw je dat op: eerst hoe een microfoon werkt, dan wat het patroon doet, dan wat plaatsing doet, en tot slot een werkwijze waarmee je in vijf minuten een goede positie vindt.